Weerwoord

Kraai: Grote zus - Mens erger je niet

Categorie

In de reeks Grote zus schrijft Willem Claassen over zijn zeven jaar oudere en dertig centimeter kleinere zus. Zij heeft het Downsyndroom. Om de zes weken een nieuwe aflevering. Deze week 'Mens erger je niet'.

Ze ruikt meteen onraad als ik de woonkamer binnenkom. Mijn grote zus, zittend aan de hoge tafel, haar korte benen steunend op de stoel aan de andere kant van de tafel, draait haar hoofd een paar graden mijn richting op om te zien wat daar door de kamer beweegt. Die dikke bril van haar helpt maar mondjesmaat. De sterkte van haar ogen is -13 en ze heeft pupillen die altijd maar in beweging zijn. Dat en nog veel meer kreeg ze gratis en voor niks bij haar Downsyndroom.

Toch heeft dat knikje mijn kant op voldoende informatie opgeleverd. Ze kent haar familie. Ze concentreert zich weer op het spel dat voor haar neus ligt, meer nog dan daarvoor. Dit is haar tactiek: als ik net doe alsof ik heel intensief met dit spel bezig ben, laat hij me vast met rust.

Ze dobbelt sneller, behendiger ook. Een korte koprol en de dobbelsteen ligt al stil. Ze leest het aantal ogen. Daarvoor moet ze haar neus bijna op de steen drukken. Mijn grote zus behoort tot het selecte gezelschap dat Mens erger je niet alleen kan spelen, soms uren lang.
‘Vier’, mompelt ze als ze de vier zwarte puntjes heeft geteld en grijpt naar het gele poppetje. Het zijn altijd de gelen en de roden die ze laat winnen. Dat is vast wetenschappelijk te verklaren. Waarschijnlijk zijn die twee kleuren het aardigst voor haar moeilijke ogen.

Ze doet goed haar best om me uit de buurt te houden, maar het is natuurlijk kansloos.
‘Mag ik meedoen?’ vraag ik met een veel te vriendelijke stem.
‘Nee’, zegt ze snel en beslist.
Ik kijk welke kleur er nog niet in het speelveld staat.
‘Ik wil blauw wel zijn. Die hebben nog geen zes gegooid.’
Mijn grote zus zucht. Gaat dan verder met dobbelen.
Ik pak de stoel waar haar voeten op liggen en schuif ‘m naar achteren. Haar korte benen maken een vrije val.
‘Nou-hou!’ roept ze en gooit haar hoofd in haar nek.
Ik ga tegenover haar zitten, sla mijn armen over elkaar en buig rustig naar voren.
‘En? Wie is er aan het winnen?’
Weer die veel te vriendelijke stem.
Ze ruimt het spel op.
Mijn verbaasde gezicht is het gezicht van iemand die opnieuw, voor de zoveelste keer, heeft gescoord. Zoveel-nul.