Weerwoord

Kraai: Scheurende gitaren, zeurende ambitie

Categorie

De Kraaicolumn van deze week werd geschreven door Jan Aelberts.

De werkelijkheid is sterker dan de parodie. Daar kwam ik opnieuw achter tijdens het bekijken van de documentaire over Anvil – The story of Anvil – een heavy metal band uit Canada. En misschien meer nog dan een band was het een kinderachtig verbond tussen zanger Steve en drummer Robb. Meer dan 35 jaar geleden begonnen ze samen muziek te maken. De jongens waren 14, het leven in Toronto was eenvoudig. Het leven in Toronto leek me, tijdens het bekijken van de documentaire, ook altijd eenvoudig gebleven. En leeg, zonder verhaal. Het lag misschien aan het Canadese landschap, de droevige eenvoud waarmee houten huizen naast een straat staan. De dag begint met sneeuwruimen. Het kan ook het gebrek aan identiteit van de Canadees zijn. Het is een moeilijk volk om te definiëren. Het zijn de Belgen van het Amerikaanse continent. Je kan het beter treffen.

Maar het begint in een land dat zich al te makkelijk laat definiëren. Japan. Een land met een oorlogscomplex dat vandaag gecompenseerd wordt door volslagen kinderachtigheid, door een obsessioneel produceren van al wat lieflijk is. Hello Kitty, hello Japan. De jongens van Anvil traden er in de jaren ’80 op, in een gedeelde tour met onder andere Bon Jovi en The scorpions. Dat het het decennium van de lelijkheid zou worden was al vroeg duidelijk. Maar wat belangrijker is, is dat na die tour al de deelnemende bands het zouden maken, tegen alle goede smaak in. Behalve één. Behalve Anvil.

Een gebrek aan management, een gebrek aan geluk, promotie en zakelijk inzicht. En het blijven tenslotte Canadezen. Nu, zo’n 25 jaar later, bestaat de band nog steeds. En ze lijkt enkel bij de gratie van het cliché te bestaan, het cliché dat alles mogelijk is, als je er maar voor gaat. Je kan het een ideaal noemen, maar één van het type dat je best tezamen met je maagdelijkheid verliest. Ambitie in Toronto, het bleek een moeilijke combinatie. De jongens groeiden op. In hun streven naar roem en scheurende gitaren, naar distortion en laconieke teksten gelieerd aan een of andere duivel verloren ze alle andere ambities. Een diploma, werkzekerheid, een gezond gebit. Steve reed maaltijden rond, wat Robb deed was onduidelijk, als hij al iets deed. De jongens trouwden met vrouwen die ooit wel een riedeltje van Iron Maiden uit hun strotten kregen, maar nu toch vooral het huishouden bezongen. Ze hadden het wel gehad. Zij wel.

Steve en Robb wilden het nog een keer proberen. Via internet vonden ze een manager, een Oost-Europese vrouw met een vage geschiedenis en een accent dat me al te stereotiep in de oren klonk. Ze zouden opnieuw gaan touren, in Europa. Ik ben ze niet gaan bekijken de dag dat ze in Gent stonden. Ik wist er niets van. Niemand wist ervan. En eerlijk gezegd heb ik aan het hele genre ontelbare broertjes dood. De afwezigheid van promotie zou het thema van de Europese tour zijn. In een café in Praag stonden vier toeschouwers te gapen naar die oude metal heads. Een vijfde bleef door overgewicht in een stoel op het podium zitten. Het maakte aan al te desolate indruk, iets waar ik een stad als Praag nooit toe in staat achtte. Alsof de tragiek nog niet duidelijk genoeg geschetst werd door de afwezigheid van een publiek, werden de jongens ook niet betaald. Ze waren te laat op de afspraak. Het openbaar vervoer is tenslott geen ideale tourbus. Van het Anvil uit de jaren ’80, optredens voor duizenden hello kitty’s, was weinig meer te merken.

Na de tour werden weer maaltijden bezorgd, de vakantiedagen waren op. Even leek het alsof Robb ermee zou stoppen. Hij had het gehad, na 35 jaar. Een snelle leerling leek het me niet, maar even voelde ik me opgelucht omdat de werkelijkheid toch eindelijk zijn kalende hoofd binnensijpelde. Steve wilde er niet van weten en overtuigde zijn vriend ervan het nog één keer te proberen. Hij herinnerde zich de producent van het eerste album. De opnamekwaliteit was bij de volgende tien albums elke keer wat tegengevallen. Dat het daarom geen succes werd. Met die producent, een Brit, zou het lukken. Ik had het gevoel dat hij Robb al overtuigd had bij ‘nog één keer’. Na een tijd is de illusie het enige wat je vast kan houden, ook als die je in je gezicht uitlacht.

Naar Engeland dus. Steve leende geld van zijn zus, iemand die meegetrokken werd in de ontkenning van haar broer. Voor dertienduizend pond nam Anvil zijn dertiende album op. Het zou ‘This is thirteen’ heten. De hele metalwereld is doortrokken van dit soort achterlijke getallensymboliek. Ook tijdens de opnameperiode kregen Steve en Robb ruzie, het werd opnieuw een gevecht tegen de werkelijkheid, de erkenning van een mislukt leven. En opnieuw wonnen ze van deze Goliath, al is winnen niet het juiste woord.

Nadat het album opgenomen werd zocht het ondertussen al te tragische duo een platenmaatschappij. Het is niet moeilijk te raden dat die niet gevonden werd. Jaren ’80 metal verkoopt nu eenmaal minder goed dan, pakweg, een marketingproduct als The Jonas Brothers. Anvil had er alle schijn van eindelijk dood te bloeden, de onderontwikkelde fans in Toronto ten spijt, waarvan er één Steve een baantje als tele-enquêteur aanbood. Veel stofzuigers werden er niet verkocht. Ook daarin leek de steeds meer op Ozzy Osbourne lijkende jongen uit Toronto te mislukken.

Volgens de wetten van de underdogfilm keerde aan het einde van de documentaire dan toch het tij. Japan belde. Of ze een gig wilden spelen op een groot metalfestival. Daar zeiden ze geen nee tegen, die jongens, ook omdat het woord nee al vroeg uit hun zo al beperkte woordenschat werd geschrapt. Steve en Robb in Japan, take two. Het werd iets van een succes. Opnieuw stonden duizenden jonge Japanners gecontroleerd te juichen en te bangen met hun hoofden. En Anvil gaf zich volledig aan hen over. De fans, die houden je recht, zouden ze later zeggen.

En in dat kinderachtige neonland spoelde de jongensdroom van de twee Canadezen eindelijk aan. Te spelen voor duizenden, de roem van het metaal, de glorie van het meest schreeuwerige zwart. Maar de euforie ontging me. Ik bekeek die jonge, Japanse gezichten en wist dat ze nog voor hun dertigste de sérieux van het burgerleven zouden adopteren. Anvil zou een ondertussen gewiste foto op hun lieflijke mobiele telefoons zijn en verder niks. Het leek me al te fake en al te leeg om daar een leven op te bouwen. Steve en Robb kon het weinig schelen. We’re back, lachten de geërodeerde tanden. We fucking made it. Misschien hadden ze gelijk.

Jan Aelberts